Het Jankó toetsenbord is een alternatieve piano-indeling, in 1882 ontworpen door de Hongaarse ingenieur Paul von Jankó.
Het is een isomorf toetsenbord, wat betekent dat elk akkoord en elke toonladder in elke toonsoort precies dezelfde vorm en vingerzetting heeft.
Belangrijkste kenmerken.
Zes rijen toetsen: In plaats van de standaard rij witte en zwarte toetsen, bestaat het Jankó-systeem uit zes rijen die als een soort trapje boven elkaar liggen.
Chromatische opbouw: Elke verticale kolom van drie toetsen is een halve toon verwijderd van de volgende kolom. Binnen één rij verspringen de noten steeds met een hele toonstand.
Compacter bereik: Doordat de toetsen dichter op elkaar staan, is het bereik van een hand veel groter. Een octaaf op een Jankó toetsenbord is fysiek smaller dan op een gewone piano.
Voordeel.
Eenvoudig transponeren: Een liedje in een andere toonsoort spelen vereist alleen het verschuiven van de hand, de vingerzetting blijft gelijk.
Ergonomie: Ideaal voor mensen met kleinere handen, omdat grote intervallen makkelijker te overbruggen zijn.
Nadeel.
Oriëntatie: Het ontbreken van het vertrouwde patroon van 2 en 3 zwarte toetsen maakt het lastiger om blindelings je weg te vinden.
Zeldzaamheid: Omdat bijna alle piano-educatie en instrumenten op de standaard indeling zijn gebaseerd, is het nooit doorgebroken bij het grote publiek.
De muziekdocenten waren sceptisch en uitvoerenden wilden de nieuwe vingerzettingen liever niet leren, dus hielden fabrikanten zich er verre van.
Er zijn maar enkele fabrieken geweest die dit Jankó toetsenbord hebben toegepast, zoals A.H. franck, C. Heinke en C.A. pfeiffer.
De Rosenkranz fabriek heeft zelfs een piano gebouwd met een standaard toetsenbord en met een Jankó toetsenbord in één piano.
Ernst Philipp Rosenkranz
Het Jankó toetsenbord beleefde zijn meest actieve periode aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw.